Auto- Onderhoud, tuning en styling
Dikke Toeters .NL Logo
Je bent hier: > Home > Auto Onderhoud > Artikel: Elektrische installatie

Inloggen




Registreren
Wachtwoord vergeten?

Aankomende evenementen

Elektrische installatie

Algemeen

Alle onderdelen van het elektrische systeem van een auto zijn via schakelaars met de accu en de dynamo verbonden. Want die twee zijn samen verantwoordelijk voor de elektrische energie, die overal in de auto door apparaten wordt omgezet in licht, warmte of beweging.
Ieder onderdeel moet daarom door middel van twee leidingen met de accu of de dynamo zijn verbonden: een zogenaamde plusdraad en een mindraad. Zonder één van deze twee aansluitingen kan er geen stroom door dat onderdeel vloeien. Er moet dus een gesloten circuit zijn, waarlangs de stroom vanaf de bron naar het betreffende onderdeel en weer terug naar de bron gaat. Met een schakelaar kan dit circuit worden 'verbroken' of juist 'gesloten'.
Vrijwel iedere auto heeft een stalen carrosserie. Aangezien staal uitstekend geleidt, kan die carrosserie dus best als elektrische leiding worden gebruikt. In de regel loopt de stroom dus via een draad naar het onderdeel-in-kwestie en via de carrosserie weer terug naar de bron, die immers óók aan die carrosserie vast zit. Dit spaart de helft van alle benodigde bedrading uit!
Auto's met een kunststofcarrosserie hebben daarom noodgedwongen een dubbele bedrading aan boord. Overigens is dit ook bij bijvoorbeeld tankschepen het geval, waar het overspringen van een vonk tot grote rampen kan leiden.

Bedrading

Een personenauto heeft ongeveer 70 meter elektrische draad nodig om alle elektrische onderdelen vanbaf de accu of de dynamo te kunnen bedienen. De draden zijn voorzien van een kleur om de identificatie te vergemakkelijken. Een monteur kan dus niet zonder een dergelijk gekleurd schema!
Voor auto's geschikte bedrading moet echt voor dat doel zijn gemaakt en dus tegen benzine, olie en - onder de motorkap - hoge temperaturen kunnen. De geleidende koperen kern is gemaakt van een aantal in elkaar gedraaide koperen draadjes, waardoor het geheel flexibel blijft en praktisch niet kan breken. Daarom mag geen gewoon elektriciteitsdraad in auto's worden gebruikt.
Het grootste deel van de totale bedrading bestaat uit een zogenaamde kabelboom, een van voor naar achteren lopende bundel draden, vanwaaruit er 'onderweg' velen aftakken. Zo'n dradenbundel wordt met isolatieband omwonden en in een soort beschermende slurf verpakt. Modern is, alle draden naast elkaar op een soort flexibele ondergrond te 'lassen', waardoor de kans op onderlinge kortsluiting vrijwel nihil is.
Hoeveel stroom een bepaalde draad kan 'hebben', hangt onder meer af van de dikte van de koperen kern binnen de isolatielaag. De stroomsterkte wordt aangegeven in ampère (afgekort: A).
Het uitrekenen van een voor bijvoorbeeld een remlicht geschikte draaddikte gaat als volgt: bij uw auto met een systeemspanning van 12 volt (afgekort: V) kan dat remlicht volgens de lampentabel in uw instructieboekje een vermogen van 21 watt (afgekort: W) ontwikkelen. De in dat geval door die draad gaande elektrische stroom bedraagt dan 21 (watt) : 12 (volt) = circa 1,6 ampère (want vermogen : spanning = stroom). U heeft dus een draad met de codering 28/0.30 (28 kerndraadjes met ieder een diameter van 0,30 mm²; totale doorsnede van 2,5 mm²) nodig.

Eenheden

De ampère is een eenheid van stroomsterkte. Als er een stroomsterkte van 1 A door een draad loopt, betekent dit dat per seconde 6.250.000.000.000.000.000 elektronen een gegeven punt in die draad passeren.
De eenheid volt drukt de spanning uit, die nodig is om elektronen zo ver te krijgen dat ze de band met 'hun' atoom verbreken. Spanning vloeit niet zoals stroom door een draad, maar is altijd aanwezig - ook als er geen stroom loopt.
Geen enkele geleider geleidt elektrische stroom zonder enige weerstand te bieden, omdat de 'inhoud' van die stroom nu eenmaal bestaat uit niet-geleidende elektronen. Ieder materiaal heeft dus een zekere weerstand.
'Weerstanden' zijn óók uit geleidende en halfgeleidende materialen samengestelde componentjes om op een gegeven plaats in een elektrisch circuit de stroom expres - en in een exact aangegeven mate - tegen te werken. De werking van zo'n weerstand wordt duidelijk, als we de stroom elektronen vergelijken met een stroom tennisballen: er kunnen gemakkelijk honderd ballen tegelijk door een twee meter brede pijp worden gegooid terwijl die ballen elkaar amper raken. Als we een andere 'weerstand' zouden aanbrengen in de vorm van een pijp van één meter doorsnede, zouden de ballen elkaar veel vaker raken, elkaar daardoor in de weg zitten en de doorstroming vertragen.

Kleurcodes

Om uit de grote verscheidenheid aan draden van een elektrisch systeem wijs te kunnen worden hebben ze allemaal (behalve de accukabels, de massa-aansluitingen en de bedrading van de ontsteking) een aparte kleur gekregen. Helaas zijn er nog steeds geen sluitende afspraken gemaakt over de manier waarop dat zou moeten gebeuren.
De meeste autofabrikanten gebruiken één kleur voor ieder specifiek deel van het systeem (zoals koplichten, richtingaanwijzers, accessoires) dat over het contactslot van stroom wordt voorzien. Bij aftakkingen binnen zo'n deelsysteem worden de draden vaak nog ook nog voorzien van gekleurde strepen. Bijvoorbeeld: als de draden naar de beide koplichten blauwgekleurd zijn, dan is het aftakkende bedrading van het dimlicht blauw-met-een-rode-streep en die van het ongedimde licht blauw-met-een-witte-streep.
Eigenlijk zou zo'n ingekleurd bedradingsschema in ieder instructieboek moeten staan, maar dat is bijna nooit het geval - ongetwijfeld uit kostenbesparende overwegingen, maar misschien ook om de niet-geoefende sleutelaar de moed te ontnemen. U zult daarvoor dus meestal een reparatiehandleiding moeten raadplegen.
In het begin is het misschien even schrikken, maar na enige tijd zult u er - eventueel met behulp van een vergrootglas - redelijk uit kunnen komen. Voorwaarde is natuurlijk, dat niet iemand vóór u met andersgekleurde draden bezig is geweest!

Plus en min polen

Alsof het nog niet ingewikkeld genoeg was, moest men zich vroeger ook nog afvragen of bij een bepaalde auto de minpool of de pluspool van de accu met de carrosserie was verbonden. Gelukkig hebben sinds circa 1968 alle auto's de minpool aan de carrosserie, ofwel 'de min aan massa'.
Toch blijft het aan te raden om bij de aankoop van elektrische inbouw-accessoires als radio's en cassetterecorders hier goed op te letten. Aldus verkeerd-om aangesloten apparaten kunnen ernstig worden beschadigd; elektromotoren gaan daardoor de andere kant op draaien.

Stekkers

Bij de meest voorkomende aansluitingen wordt gebruik gemaakt van ronde of platte stekkers. Ronde stekkers komen vooral voor bij aftakkingen van de hoofdkabelboom, bijvoorbeeld naar de koplichten of de aan de bedieningsschakelaars aan de stuurkolom. Vaak zijn een tien of meer platte stekkers ondergebracht in kunststoffen stekkerdozen, waarbij meestal maar één manier van monteren mogelijk is. Ronde en platte stekkers zijn in alle maten en kleuren bij de auto-accessoirehandel verkrijgbaar.
Evens populair is het zogenaamde mestype-verbinding. Dit soort verbinding wordt vooral op die plaatsen toegepast waar een extra draad bij een al bestaande draad moet worden gevoegd. Het contact wordt gemaakt door met een tang het 'mes' naar binnen door allebei de draden heen te drukken. Gebruik de mestype-verbinding niet bij te dikke draden. Het is trouwens so-wie-so verstandig om geen draden toe te voegen op plaatsen waar een defect relatief grote gevolgen zou kunnen hebben.

Zekeringen

Er is sprake van kortsluiting, als er bij een verbinding tussen 'plus' en 'min' te weinig weerstand is. De imaginaire pijp van de vorige bladzijde wordt dan plaatselijk zo breed, dat er teveel elektronen doorheen gaan stromen dat de stroomsterkte te hoog oploopt. Daardoor wordt plaatselijk teveel warmte veroorzaakt en brandt de zaak door.
Als een elektrisch systeem wordt kortgesloten, dan zullen dat systeem en de daarbijbehorende componenten daarvan natuurlijk schade ondervinden. In het ergste geval kan er zelfs brand onstaan.
Om dat voorkomen zijn op strategische plaatsen bewust zwakke plekken gecreëerd in de vorm van zekeringen. Dat zijn smeltveiligheden, die bij kortsluiting eerder dan de bedrading en de componenten stuk smelten en aldus de rest van het systeem voor hetzelfde lot behoeden.
Monteer nooit een te sterke (extreem voorbeeld: een spijker of een paperclip) of een te zwakke zekering. In het eerste geval gaat bij kortsluiting het systeem zelf stuk, in het tweede geval kan die zekering zal doorbranden terwijl er (nog) niets aan de hand is.
In de bedrading van niet over het contactslot lopende circuits, met name die van elektrische componenten die later zijn ingebouwd, wordt vaak alsnog een aparte 'zwevende' zekering gemonteerd. Daarmee wordt ook voorkomen, dat bij ongelukken juist in die circuits kortsluiting ontstaat.
 


Reageren

Gebruikersnaam :
Wachtwoord :

Of klik hier om je te registreren