Inloggen
Nieuwe auto onderdelen
Laatste auto artikelen
Aankomende evenementen
Diagnose apperatuur
Algemeen
Auto's worden steeds slimmer. Daarom moeten we oppassen dat we niet zó dom worden dat we onze eigen auto niet meer 'begrijpen'. Gelukkig bestaan er voor dit doel allerlei duivelse instrumenten, waarvan in dit artikel een aantal worden besproken.
Diagnoses stellen hoeft voor een redelijk geoefende doe-het-zelver niet al te moeilijk te zijn, vooropgesteld dat hij/zij het juiste gereedschap - of moeten we langzamerhand gaan zeggen: instrumentarium? - tot uw beschikking heeft - en in het bezit is van een niet al te exotische auto.
Omdat de vraag naar diagnosegereedschap enorm is en de markt daarop massaal inspeelt, is dit spul gelukkig niet al te duur. Dat geldt bijvoorbeeld voor de zogenaamde multimeter, een combinatie van contacthoekmeter, voltmeter en ampèremeter. Die hoeft u dus niet allemaal apart te kopen!
Ampèremeter
Een ampèremeter heeft een schaal van circa - 30 A totaan + 40 A. Als de naald 'in de min' staat, is er sprake van ontlading van de accu omdat de dynamo minder bijlaadt dan de accu afgeeft. Bij een 'in de plus' staande wijzernaald laadt de dynamo de accu. Bij afgezette motor en ingeschakeld contact zal de ampèremeter meestal iets in de min staan (omdat de motor niet loopt kan de dynamo niet werken), maar direct na het starten van de motor moet dat eerst veranderen in + 8-10 A, waarna de naald na enkele minuten terug zakt naar + 1-2 A. Naarmate meer stroomverbruikers (zoals de achterruitverwarming en de koplichten) zijn ingeschakeld, wordt het voor de dynamo moeilijker om te blijven laden.
Compressiemeter
Een compressiemeter geeft de compressiedruk in de achtereenvolgensde cilinders aan. De absolute waarde (bijvoorbeeld 9 bar) is niet echt van belang. De meting is bedoeld om de druk in de cilinders onderling te vergelijken. Bij een 'ideale' motor zijn alle waarden even hoog; pas bij een verschil van meer dan 10-15 % is er sprake van een te lage compressiedruk. De oorzaak daarvan zouden versleten zuigerveren kunnen zijn. Bij één te lage waarde zijn er verschillende mogelijkheden: een te geringe klepspeling waardoor een klep niet goed meer sluit of misschien wel een lekkende of verbrande klep. Als twee naast elkaar gelegen cilinders een te lage waarde laten zien, zou een tussen die cilinders lekkende koppakking het euvel kunnen zijn.
Compressiemeters zijn er in alle soorten en maten. De beste zijn van het 'schrijvende' type. Hierbij wordt op een in de meter gestoken kaartje door een wijzernaald de gemeten waarde voor iedere cilinder opgetekend. Aan de kant waarmee de compressiemeter in een bougiegat van de motor moeten worden gedrukt, bevindt zich een rubberrand, omdat er vanzelfsprekend immers tijdens de compressiemeting geen lucht naar buiten toe mag ontsnappen.
Ook bij dieselmotoren kan een compressietest worden uitgevoerd, maar de compressiedrukken van een dieselmotor zijn veel hoger dan die van een benzinemotor. Daarom moet een spaciale meter worden gebruikt: compressie meten aan een dieselmotor is geen doe-het-zelf-werk meer!
- De motor moet bedrijfswarm zijn.
- Demonteer alle bougies.
- Maak de stroomdraad tussen bobine en stroomverdeler aan de bobinekant los, zodat de bougies niet kunnen vonken als de motor wordt gestart.
- Laat een assistent in de auto het gaspedaal geheel indrukken, zodat de gasklep geheel open staat.
- Druk de compressiemeter met de rubberen stop stevig in het bougiegat van de eerste cilinder.
- Laat uw assistent in de auto de contactsleutel gedurende circa twee seconden met geheel ingedrukt gaspedaal omdraaien.
- Haal de compressiemeter uit het bougiegat en lees de waarde af. Noteer deze, vooral als u geen 'schrijvende' meter gebruikt.
- Zet de wijzer weer op 'nul' door het blokkeerpennetje aan de onderkant van de meter in te drukken.
Contacthoekmeter
Met een contacthoekmeter bent u in staat om de contactpunten binnen in de stroomverdeler veel nauwkeuriger af te stellen dan met een voelermaatje het geval zou zijn. Dat geeft immers alleen duidelijkheid over de tijdsduur waarbinnen de contactpunten open staan.
Het is echter belangrijker om te weten wanneer de contactpunten zijn gesloten. Omdat gedurende die tijd de nok op de verdeleras een bepaald aantal graden verder draait, bestaat er een bepaald verband tussen de tijdsduur waarin de punten zijn gesloten en het aantal graden dat de ronddraaiende nok gedurende die tijd afgelegt.
Een hoek kan worden uitgedrukt in graden: zo is bijvoorbeeld een rechte hoek negentig graden en bedraagt de contacthoek het aantal graden dat de ronddraaiende nok op de verdeleras aflegt in de tijd dat de contactpunten zijn gesloten.
Op een contacthoekmeter kunt u de contacthoek in graden aflezen. Met behulp daarvan kunt u dus de contactpunten zo afstellen, dat de onsteking optimaal werkt. Bovendien wordt zo rekening gehouden met eventuele slijtage aan de punten (hoe meer deze zijn versleten, des te korter zijn ze gesloten en des te slechter werkt de ontsteking).
Bij pech onderweg kunt u met behulp van een contacthoekmeter eventuele storingen aan de ontstekingsinstallatie vaststellen: bij defecte contactpunten of een losgeraakte grondplaat is er natuurlijk geen sprake meer van een constante contacthoek, hetgeen op de contacthoekmeter ook heel goed te zien is.
- Stel de contactpunten eerst globaal 'met de hand', dus met behulp van een voelermaatje, af.
- Monteer vervolgens de rotor en de verdelerkap en sluit de contacthoekmeter volgens de bijbehorende gebruiksaanwijzing aan.
- Nu kunt u de motor laten draaien. Lees de contacthoek af.
- De juiste contacthoek kunt u aantreffen in de bijbehorende handleiding. Bij een te grote contacthoek zijn de contactpunten te lang met elkaar in contact. Daarom moeten de contactpunten verder uit elkaar worden geplaatst, zodat ze elkaar later raken en eerder uit elkaar gaan: de contactpuntafstand moet dus worden vergroot. Bij een te kleine contacthoek zijn de contactpunten niet lang genoeg met elkaar in contact en moet de contactpuntafstand juist worden verkleind.
- Controleer nadien altijd nog een keer het ontstekingstijdstip.
Neonlamp
Een neonlamp kan van pas komen bij auto's met elektronische onsteking. Bij zo'n auto mag u namelijk nooit de hoogspanningskabels of de bougies testen door deze bij lopende motor met het uiteinde dichtbij (maar net niet tegen) 'massa' aan te houden. Niet alleen kunt u zelf bij een dergelijke truc een elektrische schok oplopen, ook de kostbare elektronica bekomt dit slecht. Veel verstandiger is het om een neonlamp tussen de bougiekabel en de bougie in te plaatsen. Dan ziet u aan het opflitsen van de lamp of er sterke stroomstoten door de betreffende kabel heen gaan.
Stroboscooplamp
Door middel van een stroboscooplamp, ook wel flitslamp of kortweg 'scoop' genoemd, kan het ontstekingstijdstip heel nauwkeurig worden bepaald. Overigens is dit typisch een werkje bij wat oudere auto's, die nog niet over een elektronisch motormanagement beschikken. Want dan valt er op dit gebied niet veel meer voor u als doe-het-zelver te doen!
- Maak de afsteltekens op krukaspoelie of vliegwiel goed schoon, zodat u straks geen moeite heeft om deze te onderscheiden. Tevens is het zinvol of het stilstaande referentiestreepje of de inkeping met krijt wit te kalken, ook al voor een beter zicht.
- Tijdens de meting moet de motor op een vastgesteld toerental draaien (zie instructieboekje of garagehandleiding). Gebruik hiervoor eventueel een losse toerenteller zoals eerder in dit artikel werd beschreven.
- Verwijder eventueel de slang van de vacuümvervroeging aan de stroomverdeler en sluit de losgemaakte slang af met een boutje of een klem.
- Verbind de zwarte draad van de stroboscooplamp aan de minpool en de rode draad aan de pluspool van de accu. Sluit de derde draad aan tussen de bougie en de bougiekabel van de eerste cilinder (gerekend vanaf de distributiezijde van de motor). Iedere keer als door die bougiekabel een sterke stroomstoot heen gaat, gaat deze ook door de stroboscooplamp.
- Richt de steeds weer oplichtende lamp op de afsteltekens op de krukaspoelie of het vliegwiel.
- Bij een correct afgestelde motor worden deze steeds nèt verlicht op het moment dat ze 'langs komen': een voor niet-ingewijden heel merkwaardig gezicht waarbij het lijkt als of de bewegende afsteltekens pas op de plaats maken voor het stilstaande afstelteken.
- Als dit effect zich niet voordoet, is het ontstekingstijdstip blijkbaar niet goed afgesteld.
- Koppel bij het losmaken van de stroboscooplamp (na het afzetten van de motor) eerst de aan de bougie bevestigde draad los en dan pas die aan de accu. Dan krijgt u geen elektrische schok. Vergeet niet de losgekoppelde vacuümslang weer aan te brengen!
Toerenteller
Een toerenteller geeft het aantal omwentelingen van de krukas per minuut aan. De meeste snelle en/of sportieve auto's zijn standaard van zo'n ding voorzien. Met behulp daarvan kan de bestuurder bijvoorbeeld zijn schakelpunten zo uitkiezen dat de motor het meest presteert of het minst verbruikt. Sleutelaars hebben echter meer baat bij een 'losse' (dus niet vast op of in het dashboard bevestigde) toerenteller, omdat daarmee bijvoorbeeld het stationair toerental van de motor exact kan worden afgesteld.
Vacuümmeter
De vacuümmeter is het goedkoopste en simpelste instrument uit dit verhaal. Het enige dat hij doet, is de onderdruk in het inlaatspruitstuk van een lopende motor meten en die waarde aan de bestuurder doorgeven. Hij kan zo'n meter desgewenst gebruiken als een hulp bij zijn streven om zo zuinig mogelijk te rijden. De mate van onderdruk in het inlaatspruitstuk is namelijk direct afhankelijk van de stand van de gasklep: bij volledig gesloten gasklep stroomt er helemaal geen lucht door het inlaatspruitstuk en is er dus ook geen onderdruk, terwijl bij geheel openstaande gasklep de onderdruk in het spruitstuk maximaal is. Dus hoe minder er op het gaspedaal wordt getrapt, des te minder onderdruk heerst er in het inlaatspruitstuk. Meestal geeft een vacuümmeter geen exacte waarden aan, maar bestrijkt de wijzernaald een aantal ingekleurde velden, die variëren van groen (weinig onderdruk, dus 'zuinig') tot rood (veel onderdruk, dus 'onzuinig'). Overigens kan een vacuümmeter ook bepaalde motordefecten boven water krijgen. Als de wijzernaald heen en weer zwaait, zou dat kunnen wijzen op een defect in de distributie; 'valse lucht' als gevolg van bijvoorbeeld een lekkende inlaatspruitstukpakking resulteert daarentegen in een constant te lage aanwijzing.
Voltmeter
Met een voltmeter kunt u de spanning op ieder gewenst punt van de elektrische installatie meten. Als de (bij afgezette motor) gemeten spanning ongeveer gelijk is aan die van de accu (dus 12-13 volt), dan is er niets aan de hand. Bij een duidelijk lagere waarde ligt de oorzaak maar al te vaak bij een slechte stekkerverbinding : hetzij aan de kant van de voeding (plus) hetzij aan de kant van de aardeverbinding aan de carrosserie (min of massa). Als er op een bepaalde plaats helemaal geen spanning aanwezig is, is sprake van leidingbreuk aan de pluskant.
Als de naald van de voltmeter heel even beweegt op het moment dat de beide draden van de voltmeter aan weerszijden van bijvoorbeeld een schakelaar met de elektrische installatie worden verbonden, dan bewijst dit dat die schakelaar verantwoordelijk is voor een onevenredig hoge spanningsafname binnen de elektrische installatie.
